Wiki - MijnRekensite


A

    Afname

    Een afname geeft aan hoeveel iets is afgenomen ten opzichte van de oude situatie.

    Met de oude situatie wordt de oorspronkelijke situatie bedoeld.

    De nieuwe situatie is gelijk aan de oude situatie min de afname.

    Afronden

    Het kleiner schrijven van een getal heet afronden.

    Er gelden speciale regels.

    Je rondt naar boven of naar beneden af.

    6,7278 ≈ 6,73 op 2 decimalen nauwkeurig.

    Aftrekken

    Aftrekken is een rekenkundige bewerking waarbij je het verschil berekent.

    Een aftreksom wordt ook wel een erafsom genoemd.

B

    Bewerking

    Een rekenkundige bewerking is een bepaalde manier van rekenen.

    Bewerkingen zijn optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

    Breuk

    Een breuk geeft een verhouding weer.

    De teller is het getal boven en de noemer het getal onder de breukstreep.

    De uitkomst van een breuk heet het quotiënt.

    Vereenvoudigen is het kleiner schrijven van een breuk.

    Breuk, aftrekken

    Breuken mag je aftrekken als de noemers gelijk zijn.

    Ongelijke noemers maak je eerst gelijk.

    Lees over het KGV.

    Breuk, delen

    Breuken deel je door de breuk waardoor je deelt om te keren.

    Je verwisselt dan de teller en de noemer.

    Daarna worden de breuken vermenigvuldigd.

    Breuk, optellen

    Breuken mag je optellen als de noemers gelijk zijn.

    Ongelijke noemers maak je eerst gelijk.

    Lees over het KGV.

    Byte, bit

    De byte is een eenheid uit de computerwereld.

    Een byte is opgebouwd uit acht bits.

    Een bit kan 0 of 1 zijn.

     

C

    Cirkel

    Een cirkel is een vlak figuur.

    Een cirkel heeft een middelpunt.

    De straal is de afstand van het middelpunt tot de cirkellijn.

     

    Cirkeldiagram

    Een cirkeldiagram laat op een overzichtelijke manier zien hoe de aantallen zich verhouden.

    De cirkel is verdeeld in sectoren.

D

    Deca

    Het voorvoegsel deca heeft een waarde van tien.

    1 dam is gelijk aan 10 m.

    Deci

    Het voorvoegsel deci staat voor één tiende deel.

    1 dm is gelijk aan 0,1 m.

    Deelbaar

    Een getal is deelbaar door een ander getal als er geen rest overblijft.

     

    Delen

    Bij een deling is het deeltal het getal dat gedeeld wordt.

    De deler is het getal waardoor je deelt.

    De rest is het getal dat overblijft.

    Deler

    De deler is het getal waardoor je deelt.

    Van 30 : 5 = 6 is het getal 5 de deler.

    Domein

    De betekenis van domein is hier hoofdonderwerp.

    MijnRekensite kent de volgende domeinen: Getallen, Verhoudingen, Meten & Meetkunde en Verbanden.

     

E

    Eenheid

    Met een eenheid druk je de grootte van een maat uit.

    Bekende eenheden zijn die voor de lengte, oppervlakte en inhoud.

    Voor geld hebben we de euro (€) als eenheid.

     

    Even

    Een even getal is een geheel getal dat deelbaar is door 2.

    18 is even want 18 : 3 = 6.

    Er blijft geen rest over.

G

    Gemiddelde

    Je berekent het gemiddelde door de som te nemen en deze te delen door het aantal getallen.

    Het gemiddelde van 6, 8, 8 en 10 is 32 : 4 = 8.

    Getal

    Een getal is opgebouwd uit één of meer cijfers.

    Elk cijfer staat voor een bepaalde waarde.

    Van 823 heeft de 2 een waarde van 20.

    Getallenlijn

    Op een getallenlijn staan getallen van klein naar groot geordend.

    Links van de nul staan de negatieve en rechts van de nul de positieve getallen.

    De nul is neutraal.

    Gewicht

    Het gewicht geeft aan hoeveel iets weegt.

    In de natuurkunde spreken we van massa in plaats van gewicht.

    Het symbool is g.

    GGD

    De grootste gemene deler pas je toe om breuken te vereenvoudigen.

    De afkorting is ggd.

    De deler is het getal waardoor je deelt.

    Gemene in de betekenis van gemeenschappelijke.

    Grootheid

    Een grootheid wordt uitgedrukt in een maat ofwel in een eenheid.

    Van de grootheid lengte is de standaard eenheid de meter.

    Bekende grootheden zijn: lengte, oppervlak(te), inhoud, gewicht, tijd en snelheid.

H

    Halveren

    Van een getal de helft nemen, heet halveren

    Het getal wordt twee keer zo klein.

    De helft van 24 vind je door 24 door 2 te delen.

    Dus 24 : 2 = 12.

    Hoek

    Een hoek is een deel van een cirkel.

    Een hoek kan scherp, recht, stomp of gestrekt zijn.

    Een hoek druk je uit in graden.

I

    Inhoud

    De inhoud geeft het volume aan van een ruimtefiguur.

    De inhoud wordt uitgedrukt in een inhoudseenheid.

    Met woordformules bereken je de inhoud.

K

    KGV

    Je zoekt naar het kleinste gemene veelvoud om de noemers van breuken gelijk te maken.

    De afkorting is kgv.

    Het kgv wordt de nieuwe noemer.

    Gemene in de betekenis van gemeenschappelijke.

    Kilo

    De kilo is een voorvoegsel.

    De kilo heeft een waarde van 1000.

    1 kg = 1000 g.

    Kolomrekenen

    Bij kolomgewijs rekenen worden de getallen onder elkaar geplaatst om er gemakkelijker mee te kunnen rekenen.

    Op MijnRekensite leer je op de moderne en de traditionele manier rekenen.

    Komma

    Met een komma geef je een decimaal getal aan.

    Verwar de komma niet met een punt voor het scheiden van de duizendtallen.

    Kommagetal

    Een kommagetal is een getal met één of meer cijfers na de komma.

    De cijfers na de komma worden decimalen genoemd.

    Een kommagetal is een decimaal getal.

    Kwadraat

    Kwadrateren is het vermenigvuldigen van een getal met datzelfde getal.

    62 = 6 x 6 = 36.

    Spreek 62 uit als 'zes-in-het-kwadraat'.

L

    Lijngrafiek

    Een lijngrafiek geeft (meestal) een verandering in de tijd aan.

    Zo'n grafiek wordt ook wel een lijndiagram genoemd.

M

    Macht

    Machtsverheffen is het vermenigvuldigen van een getal een aantal keren met zichzelf.

    43 = 4 x 4 x 4 = 64.

    4 heet het grondtal.

    3 heet de exponent.

    Spreek 43 uit als 'vier-tot-de-macht-drie'.

     

    Meter

    De lengte of afstand wordt uitgedrukt in meter(s).

    Het symbool is m.

    Metriek stelsel

    Het systeem van maten en eenheden wordt het metrieke stelsel genoemd.

    Dit stelsel is in de tijd van Napoleon ingevoerd.

    Voor die tijd was er een grote wirwar aan maten.

N

    Noemer

    De noemer van een breuk is het getal onder de deelstreep.

    Een ander woord voor deelstreep is breukstreep. 

O

    Omtrek

    De omtrek bereken je door de lengtes van de rand van een object op te tellen.

    Met een object wordt hier een vlakke figuur bedoeld.

    De omtrek wordt uitgedrukt in een lengte-eenheid.

     

    Oneven

    Een oneven getal is een geheel getal dat niet deelbaar is door 2.

    27 is oneven want 27 : 2 = 13 met een rest van 1.

    Oppervlakte

    De oppervlakte is een maat voor het oppervlak van een vlak figuur.

    Het oppervlak is het gebied dat je kunt bedekken.

    Met woordformules bereken je de oppervlakte.

    De oppervlakte wordt uitgedrukt in een oppervlakte-eenheid.

    Optellen

    Optellen is een rekenkundige bewerking waarbij je de som berekent.

    Een optelsom wordt ook wel een erbijsom genoemd.

P

    Pi

    Het getal π heb je nodig om aan ronde voorwerpen te rekenen.

    De π, spreek uit als pi, is een letter uit het Griekse alfabet.

    pi = 3,141592654.... 

    Positief

    Een positief getal is een getal groter dan nul.

    Een positief getal is te herkennen aan het plusteken.

    Meestal laat men de plus weg.

    Priemgetal

    Een priemgetal is groter dan één en is alleen door één en zichzelf te delen.

    Een priemgetal heeft precies twee delers.

    7 een priemgetal met als delers 1 en 7.

    Procent

    Eén procent is één honderdste deel van het grote geheel.

    Je maakt van het percentage een decimaal getal om er gemakkelijker mee te rekenen.

    5% van 60 = 0,05 x 60 = 3.

    Promille

    De betekenis van promille is één per duizend.

    6‰ van 2000 = 0,006 x 2000 = 12.

Q

R

    Rekenvolgorde

    De voorrangsregels bepalen de rekenvolgorde van de te nemen stappen.

    Je werkt van links naar rechts.

    Lees over de Voorrangsregels.

    Rest

    De rest is het getal dat overblijft na een deling.

    Romeins cijfer

    De Romeinse cijfers worden aangegeven in letters.

    Deze letters zijn om te zetten naar het tientallig stelsel.

    Met deze letters kun je rekenen.

    Ruimtefiguur

    Een ruimtefiguur is een gesloten wiskundige figuur, dat in de ruimte ligt.

    Bekende figuren zijn de kubus, balk en een bol.

S

    Schaal

    De schaal geeft de verhouding weer tussen de afmetingen van het model en de werkelijke afmetingen.

    De schaal kan een verkleining of vergroting zijn.

    Schaal 1 : 1000 betekent dat 1 cm in het echt 1000 cm is.

     

    Schatten

    Schatten is een manier van rekenen waarbij je met mooie getallen werkt.

    Schatten is nooit exact maar ongeveer.

    Snelheid

    De snelheid is een maat voor een beweging.

    Het symbool is m/s (lees meter per seconde).

    De snelheid bereken je door de weg te delen door de tijd.

    Splitsen

    Getallen zijn te splitsen in kleinere stukjes.

    Voor de komma in: ..., honderdtallen, tientallen en eenheden.

    Na de komma in: tienden, honderdsten, duizendsten, ...

    Voorbeeld: 124,9 = 100 + 20 + 4 + 0,9.

    Staafdiagram

    Een staafdiagram geeft informatie overzichtelijk weer.

    De staven lopen verticaal of horizontaal. 

    De staven staan los van elkaar.

    Statistiek

    Statistiek is het verzamelen, bewerken, presenteren en conclusies trekken van informatie.

    De informatie wordt verwerkt in: tabellen, diagrammen en grafieken.

    Symbool

    Een rekenkundig symbool of teken staat voor een bepaalde betekenis. 

    Bijvoorbeeld het + -teken voor optellen.

T

    Tabel

    In een tabel wordt informatie verwerkt.

    Een tabel heeft rijen, kolommen en velden.

    Tafel

    Een tafel is een soort tabel met een vaste volgorde van herhaling.

    Kenmerkend is de regelmaat.

    We kennen de tafels van: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

     

    Tekenverloop

    Bij het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen zijn er regels voor het tekenverloop.

    Het betreft het juiste gebruik van de plus- en mintekens.

    Teller

    De teller van een breuk is het getal boven de deelstreep.

    Tientallig stelsel

    We rekenen tegenwoordig met het tientallig stelsel.

    Een andere benaming is het decimale talstelsel.

    Dit stelsel gebruikt de cijfers 0 t/m 9.

    Een getal is opgebouwd uit één of meer cijfers.

    Tijd

    In het standaard eenhedenstelsel wordt de tijd weergeven in secondes.

    Het symbool is s.

    Andere tijdseenheden zijn: jaar, kwartaal, maand, week, dag, uur, ...

    Toename

    Een toename geeft aan hoeveel iets is toegenomen ten opzichte van de oude situatie.

    De nieuwe situatie is gelijk aan de oude situatie plus de toename.

    Met de oude wordt de oorspronkelijke situatie bedoeld.

V

    Verdubbelen

    Een getal twee keer zo groot maken, heet verdubbelen.

    Je verdubbelt het getal 9 door dit getal met 2 te vermenigvuldigen.

    Dus 2 x 9 = 18.

    Vereenvoudigen

    Vereenvoudigen is het zo klein mogelijk schrijven van een breuk.

    Je deelt dan de teller en de noemer door de grootste gemene deler.

    Lees over de GGD.

    Vlakke figuur

    Een vlak of vlakke figuur is een gesloten wiskundige figuur, dat in het platte vlak ligt.

    Bekende figuren zijn de driehoek, rechthoek en een cirkel.

    Voorrangsregels

    Net zoals in het verkeer, zijn er bij het rekenen regels.

    Bijvoorbeeld: vermenigvuldigen gaat voor optellen.

    Lees over de Rekenvolgorde.

    Voorvoegsel

    Het voorvoegsel wordt voor de standaard eenheid geplaatst.

    Samen geven zij de grootte van de maat aan.

    Van kilometer is het voorvoegsel de kilo.

    Bekende voorvoegsels zijn: kilo, hecto, deca, deci, centi en milli.

W

    Woordformule

    Met een woordformule geeft je aan hoe iets moet worden uitgerekend.

    Bijvoorbeeld: omtrek driehoek = som van de zijden.

    Wortel

    Worteltrekken is de omgekeerde bewerking van kwadrateren.

    Spreek √9 uit als 'wortel-negen'.

    √9 = 3, want  32 = 3 x 3 = 9.