De oppervlakte is eenvoudig voor te stellen als het gebied binnen de wiskundige figuur. De oppervlakte bereken je met woordformules.

De oppervlakte van vlakke figuren zoals die van drie- en vierhoeken moet je kunnen berekenen. De oppervlakte wordt uitgedrukt in een oppervlakte-eenheid.

 

Inleiding

Om de oppervlakte te berekenen, bepaal je het gebied dat je kunt bedekken binnen de rand van het voorwerp of object. Voor wiskundige figuren doe je dat op verschillende manieren.

Hieronder staan twee voorbeelden van hoe je de oppervlakte berekent. De grootte van de oppervlakte wordt uitgedrukt in een oppervlakte-eenheid. Bijvoorbeeld in m2.

 

Twee uitgewerkte voorbeelden

Voorbeeld 1:

 

 

Figuur 1

 

 

Bereken de oppervlakte van de rechthoek hierboven. De basis = 4 cm en de hoogte = 3 cm.

Oplossing:

Oppervlakte rechthoek = basis x hoogte ( of lengte x breedte )

Oppervlakte rechthoek = 4 x 3 = 12 cm2

 

Voorbeeld 2:

 

 

Figuur 2

 

 

Bereken de oppervlakte van de driehoek hierboven. De basis = 4 cm en de hoogte = 3 cm.

Oplossing:

Oppervlakte driehoek = basis x hoogte : 2

Oppervlakte driehoek = 4 x 3 : 2 = 6 cm2

 

Woordformules

De woordformules voor het berekenen van de oppervlakte zijn bij de oefeningen aangegeven.

 

In een woordformule is met woorden beschreven hoe je moet rekenen.

 

Weetje

In deze twee voorbeelden zijn, van de rechthoek en de driehoek, de basis (4 cm) en de hoogte (3 cm) even groot gekozen. Deel beide oppervlakken op elkaar.

opp. rechthoek : opp. driehoek = 12 : 6 = 2.

Je ziet dat de driehoek precies 2 keer in de rechthoek past.

 

Onthoud:

Om de oppervlakte van een willekeurige driehoek te vinden, deel je de oppervlakte van de rechthoek die er precies omheen past door 2.

 

© 2019 MijnRekensite.nl

Hoofdcategorie: Meetkunde
Categorie: theorie meetkunde